Geschiedenis van het schrift

Van origine was Japans een schriftloze taal, maar toen de Japanners met het Chinees in aanraking kwamen, leerden ze de Chinese karakters (漢字 kanji) kennen, die ze begonnen over te nemen. Wanneer dit proces precies begon is niet bekend, maar rond 500 n.Chr. kwam het echt op gang.

De Chinese beschaving was destijds veel verder ontwikkeld dan de Japanse en het gebruiken van Chinese woorden was net zoiets als het gebruiken van Latijn bij ons. Zoals wij allerlei woorden uit het Latijn hebben overgenomen, hebben de Japanners ook vele woorden uit het Chinees geleend.

Helemaal in het begin lazen en schreven Japanse geleerden enkel in het Chinees. Vervolgens werd het schrift langzaam aangepast om ermee in hun eigen taal te kunnen lezen en schrijven. Wat belangrijk is om te realiseren, is dat beide talen enorm van elkaar verschillen in vrijwel alle aspecten. De fonetiek, grammatica én woordenschat hebben werkelijk niets met elkaar gemeen. De Japanse fonetiek is veel eenvoudiger en kent geen tonen. Terwijl in het Chinees de zinsbouw meer met de Nederlandse overeenkomt (je zegt bijv. "hij gooit een bal"), is de Japanse zinsvolgorde onderwerp-voorwerp-werkwoord ("hij een bal gooit"). Verder kent het Japans kleine grammaticale woordjes (partikels genaamd), werkwoordsvervoegingen en andere soorten verbuigingen, wat in het Chinees allemaal niet bestaat.

Een eerste stap was Chinese teksten voorzien van kleine tekens als leeshulp om o.a. aan te geven in welke volgorde de woorden moeten worden gelezen wil het correct Japans zijn.

Om uitgangen en partikels te kunnen schrijven, werden aanvankelijk ook Chinese karakters gebruikt, maar dan puur om hun klank. Het beroemde boek 万葉集 man'yōshū (verzameling van duizend bladeren) uit de 8e eeuw n.Chr. is in deze stijl geschreven. De fonetisch gebruikte kanji uit dit werk staan bekend als 万葉仮名 man'yōgana. Karakters soms niet voor hun betekenis gebruiken, maar enkel voor hun klank is uiteraard verwarrend. Dit werd beter toen rond 1000 n.Chr. lettergreepschriften (仮名 kana) ontstonden uit de man'yōgana. Om het niet te eenvoudig te maken, ontstonden er parallel aan elkaar twee verschillende kana-schriften: 片仮名 katakana en 平仮名 hiragana.

Om te begrijpen waar de tekens in beide kana-schriften vandaan komen, is het belangrijk twee hoofdstijlen te onderscheiden waarin je kanji kunt schrijven: kaisho en sōsho. Kaisho is de normale stijl voor lettertypes en hoe men ook normaliter schrijft. Sōsho is een cursieve, kalligrafische stijl. Het karakter (yume, droom) ziet er in beide stijlen als volgt uit:

kaisho sousho
Kaisho Sōsho
Katakana is ontstaan vanuit de kaisho-stijl door een enkel element uit de kanji te lichten. Zo komt van . Dit is enkel het gedeelte rechtsonderin. Alleen mannen werden onderwezen in kanji en gebruikten katakana ter aanvulling (voor partikels en uitgangen). Deze combinatie van kanji en katakana is lang verbonden geweest met de krijgersklasse, overheid en officiële documenten.

Hiragana is juist ontstaan vanuit de sōsho-stijl, die nog verder vereenvoudigd werd. Zo komt ook van . Hiragana wordt ook wel 女手 onnade (vrouwenhand) genoemd, aangezien het aanvankelijk alleen door vrouwen uit hogere kringen werd gebruikt. 源氏物語 Genji monogatari (het verhaal van Genji), geschreven door een vrouwelijke auteur, is een klassieke roman waarin vrijwel alleen maar hiragana voorkomt, met slechts een handvol kanji voor wat Chinese leenwoorden.

Het gewone volk begon hiragana ook te gebruiken voor inofficiële teksten, zoals brieven. Het duurde echter tot na de Tweede Wereldoorlog dat hiragana de functie van katakana overnam. Japan werd toen gedemocratiseerd en hiragana werd als democratischer beschouwd. Tegenwoordig vervult hiragana daarom de rol van fonetisch schrift om kanji aan te vullen. Katakana wordt voornamelijk nog gebruikt voor moderne leenwoorden.

Laatste update van deze pagina: 15-03-2018